• LinkedIn - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle

Budi Wong

November 2, 2017

Ik leer Budi Wong kennen wanneer ik aan de receptie werk van een printerbedrijf op de twintigste verdieping van een kantoorgebouw op de hoek van West Hastings en Burrard Street in Vancouver. Het is een paar weken voor onze beider levens zullen veranderen. Het mijne geografisch, het zijne dramatisch. Budi Wong is een gezette man van Chinese origine uit Hong-Kong met een leeftijdsloos gezicht en pretogen. Hij is een verkoper van printers en lijkt die job met passie uit te oefenen. Zijn klanten kopen materiaal van hem en vergeten hem terstond. Zijn collega’s respecteren hem omdat hij de cijfers omhoog haalt maar nooit bovenaan de lijst topverkopers staat. Hij mag regelmatig de bel luiden, maar minder vaak dan de sterspelers. Hij is goed maar gemiddeld. En dat is voor iedereen prettig. Budi Wong is liever geliefd dan de beste.

 

Mijn bureau staat in het midden van de hal. Ik zit met mijn rug naar een groot raam met prachtig uitzicht over de haven van Vancouver en Grouse Mountain. Als er mensen aan de receptie staan, is dat wat ze zien. Ik kijk op de liftdeuren.

 

Wanneer Budi Wong iets komt vragen, maakt hij eerst een mop. Budi Wong lacht altijd. Behalve soms. Soms stopt hij met praten en kijkt hij in zichzelf, waar hij wordt omringd door vrouwen en mannen die wachten op telefoon van het voorjaar: “je buik is te bol, je dijen te dik.” Maar de lente belt niet dus iedereen schept nog eens op en bestelt nog een pint.

 

Mijn laatste werkdag, de eerste dag van mijn laatste week in Canada, is ook de dag waarop Budi Wong vastzit in de lift. Het is vrijdag en vergadering en er zijn donuts voor iedereen. Aan de muur hangt een groot scherm en we juichen team Canada toe tijdens de openingsceremonie van de Winterspelen in Sochi. De telefoon rinkelt maar ik hoef niet op te nemen. Niemand merkt de afwezigheid van Budi Wong op, of het rode lampje dat brandt boven de meest rechtse lift. Ik zit op een stoel in de hoek van de vergaderzaal en kijk naar buiten. Toen ik vanochtend vanuit het noorden van de stad naar het centrum fietste, over de Lions Gate Bridge en recht door Stanley Park, geurde de lucht naar Douglassparren en zee. Het was grijs en mistig, koud en donker. Ik bewoog door het spitsuur als een geroutineerd werkpaard terwijl ik ernaar keek met de betrokken afstand van een vogelspotter. Vrijheid is je ergens bevinden maar geen wortels hebben. Het moeilijkste is vertrekken wanneer je wortels beginnen groeien.

De telefoon rinkelt steeds vaker en steeds langer. De openingsceremonie is voorbij en de vergadering op zijn eind. Mensen verdwijnen druppelsgewijs naar hun eilanden en ik ruim in stilte de papieren bekers koffie op, plaats de stoelen weer op een lijn, zet een stap achteruit, verschuif de tweede stoel van rechts nog een paar centimeter en druk mijn neus tegen het raam voor ik de deur van de vergaderruimte sluit. Ik neem de telefoon op. Het is Budi Wong. Hij zit al twee uur vast in de lift. Het rode lampje knippert. Budi Wong is in paniek. Hij zegt dat ik hem moet helpen. Dat hij niemand kan bereiken. Dat er geen lucht meer is. Hij heeft zijn das al uitgedaan en zijn broek opengezet. Ik bel naar de lobby van het gebouw, ze zijn op de hoogte van het probleem, er is een technieker onderweg. Ik stel Budi Wong gerust. Het zal niet lang meer duren.

 

Ik wens dat ik in een lift zit die nergens heen gaat. Wanneer ik bevrijd word, ben ik nog in Canada. Maar ik hoef er niet per se uit, kan er voor altijd blijven zitten: achter die drie met beige ribfluweel bekleedde muren en weinig flatterende spiegel, bevindt zich de plek waar ik wil zijn. Waar mijn wortels zich ongemerkt in de grond hebben vastgezet.

 

Het duurt vier uur vooraleer ze Budi Wong hebben bevrijd. Ik zie hem niet meer want ik blijf boven tot sluitingstijd en Budi Wong ligt beneden huilend op de grond met zijn armen en benen gespreid. Zweet drupt langs zijn slapen en hij roept dat hij nooit nog een lift neemt. Hij roept het luid maar niemand hoort het. De portier praat met de technieker, de barista van de lobbybar flirt met de postbode. Budi Wong ligt op de grond, ik zit twintig verdiepingen hoger, en daartussenin luistert er niemand. Budi Wong staat op en neemt een taxi naar huis. Hij zegt tegen zijn vrouw dat hij ziek is en kruipt in zijn bed. Zijn zoon fluistert de eerste vijf minuten maar maakt daarna weer evenveel lawaai als voordien. Budi Wong valt in slaap en denkt: “ik neem nooit nog een lift.”

 

De volgende maandag neemt Budi Wong de lift. Hij heeft een belangrijke afspraak met een grote klant uit de kunstensector die vijf flatbed printers wil kopen. ’s Ochtends neemt hij de metro, zoals gewoonlijk, koopt hij onderweg een grote meeneemkoffie en een stuk citroencake, zoals gewoonlijk, loopt door de glazen draaideuren de lobby in en gebruikt zijn badge om de lift te roepen, zoals gewoonlijk. Hij heeft geen keuze, er is geen trap. En dan nog, het zijn twintig verdiepingen.

 

De rest van de week neemt hij elke dag minstens vier keer de lift. Behalve op vrijdag, dan eet hij ’s middags aan zijn bureau en lacht hij naar zijn collega’s en zegt hoera het is weer bijna weekend hebben jullie plannen ik moet het terras schilderen zolang het droog blijft en vanavond zullen we het er eens goed van nemen. Maar hij denkt iets anders. Hij denkt dat elke beslissing die hij ooit nam op een moment dat hij het meende, niets waard is. Hij beseft dat hij door zijn eigen leven beweegt alsof iemand anders de regie in handen heeft. Hij besluit dan en daar, met een hap Caesar’s salade in zijn mond, om de volgende dag met een volle gastank te beginnen rijden, alleen, naar de eerste plek waar hij iets besliste. Naar de eerste gebroken belofte.

 

Zaterdag vertrekt Budi Wong met een volle gastank maar ook zijn zoon van vijf op de achterbank en de wetenschap dat zijn vrouw hen zondag voor het eten thuis verwacht. Hij heeft snoep bij, en fruit, druivensap en rijstcrackers. In de koffer ligt een grote tas met spelletjes en propere kleren. Op de radio speelt een verslag van het kunstschaatsen in Sochi maar dat moet na een paar minuten uit want zijn zoon houdt meer van de soundtrack van Cars 2.

 

Terwijl Budi en Owen Wong door het weelderige en vochtige landschap van British Columbia rijden, zich allebei weinig bewust van de nochtans niet te negeren schoonheid ervan, pak ik mijn zakken – al is het er eigenlijk maar één en zit er niets in dat ik in België nog zal gebruiken omdat het me week zou maken van heimwee een trui te dragen die ik voor drie dollar kocht bij Salvation Army in Yellowknife. Niet omdat hij lelijk is maar omdat hij rood is, en Superman er op staat, en hij ruikt naar mensen en bomen die ik nooit meer zal zien. Mijn rugzak ligt op het bed van mijn eenkamerappartement in één van de drie grote blokken aan de noordzijde van Vancouver. De lelijkheid van de stadsrand verbindt er zee en bergen. Reusachtige tankers liggen stil aangemeerd, imposanter soms, dan de besneeuwde toppen op de achtergrond. Op de gang ruikt het kruidig en in het tapijt is licht het modderspoor van mijn fietsbanden te zien. Het maakt me, als bewijs van ongehoorzaamheid, ietwat trots: fietsen zijn binnen niet toegelaten. Maar de mountainbike past net op het kleine terras en is mijn enige bezit van waarde. Straks komt er iemand langs om hem te kopen. Hij krijgt mijn helm er gratis bij.

 

Budi Wong had uitgekeken naar de lange rit heen en terug naar Williams Lake – de stad waar zijn ouders ooit nieuw waren, toen oud, en dan niet meer. Zijn zoon slaapt veel en zeurt niet, maar het is niet hetzelfde. Hij moet op tijd in een degelijk bed en Budi Wong passeert meer dan één roadside diner waar hij niet kan stoppen voor een burger en een pint. Ze overnachten in de 100 Mile Motel, iets voor Williams Lake. De kamer is muf maar typisch en net daarom weer bijzonder. Budi Wong denkt aan een film die hij zag toen hij jong was. Voor Owen diagonaal de tweepersoonsmatras in beslag neemt, vertelt hij over een jongen in zijn klas die ook eens op reis was met zijn vader. Wanneer hij achteraf terug op school kwam, droeg hij een pet met een dinosaurus op.

 

Ik reserveer een taxi om me de volgende dag naar de luchthaven te brengen en blijf op mijn bed zitten. Ik ga niet kunnen slapen, maar wil ook niks leuks gaan doen. Vooral niet markeren dat deze avond de laatste is.

 

Budi Wong spendeert de nacht op zijn motorkap. Onder invloed van de sterren of de voorbijrazende trucks, ziet hij zich met zijn zoon aan Dugan Lake staan, beiden onder de indruk van het spiegelgladde water. Hij kan Owen daar geven wat hij er zelf van zijn grootvader kreeg toen ze pas uit Hong-Kong kwamen: een idee van dagen te plukken en levens te leiden. De afwisseling van stilte en het geluid van watervliegtuigen zullen zijn woorden onderstrepen. Hij zal nooit meer met spijt naar de kleine Budi Wong kijken, die met een oude man stond te vissen en plechtig beloofde om piloot te worden.

 

De volgende dag huurt Budi Wong een kano en bindt die op het dak van zijn truck. Ze rijden de tien mijl naar Horsefly Road, tot aan de toegangsweg tot Dugan Lake. Het meer is vies en halfdroog. Er landen geen vliegtuigen en het stinkt. Owen trekt zijn neus op, of zijn wenkbrauw. Maar Budi Wong heeft een kano op zijn auto liggen. Hij zet zijn zoon in de boot en geeft hem een vislijn. Hoewel hij door de te grote zwemvest amper kan bewegen, springt Owen in het midden van het meer enthousiast recht. Hij wijst naar een ree aan de overkant en lijkt, heel even, in het troebele water te gaan vallen. Budi Wong stelt zich de gevolgen voor: reddingshelikopters en zijn huilende vrouw. Maar er gebeurt niets en hij schrikt van zijn teleurstelling.

 

In het vliegtuig dwing ik mezelf om naar buiten te kijken. Met mijn handen krampachtig in mijn tas geduwd, zie ik enkel autostrade en tarmac en buitenwijken en winkelketens maar ik wil niets liever dan in de rij te staan voor de incheckbalie, dan in de rij te staan voor slappe koffie, dan in de rij te staan voor het toilet. Op de grond, en daar.

 

Onderweg naar huis stoppen ze aan een tankstation om naar huis te bellen. Owen praat met zijn moeder en wanneer ze vraagt of het er mooi is, zegt hij: “Saai.” Hij weet dat het niet meer nodig is, maar al rijdende beslist Budi Wong dat hij een verkoper is van printers en dat hij vader is van zijn zoon en man van zijn vrouw. Dat hij niet de beste is in leven, laat dat maar aan de durvers over, hij zal wel toekijken en het terras schilderen als het weer dat toelaat.

 

Ik ben Budi Wong. Ik wacht op telefoon van de lente. Ik wacht tot mijn leven gaat beginnen, terwijl elke voorbije dag er een is die ik niet opnieuw kan beleven. Ik zit op een stoel aan een bureau met achter mij een prachtig uitzicht en voor mij drie liften, die anderen op hun bestemming brengen. Ik ben Budi Wong. Morgen word ik piloot.

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload

Featured Posts

De schrijvende vrouw

December 20, 2018

1/3
Please reload

Recent Posts

January 4, 2019

December 20, 2018

November 13, 2018

July 10, 2018

November 2, 2017

October 19, 2017

September 27, 2017

September 14, 2017

September 4, 2017

Please reload

Search By Tags

I'm busy working on my blog posts. Watch this space!

Please reload

Follow Us